Laten voorlezen


Geschiedenis Prinsjesdag



Foto Gouden Koets

De naam Prinsjesdag, zoals wij die nu kennen, dateert uit het einde van de 19e eeuw. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden vierde prins-stadhouder Willem V op 8 maart zijn verjaardag. Die viering werd in de Patriottentijd een uiting van oranje- en prinsgezindheid en kreeg aldus de naam 'Prinsjesdag'.

Hieronder kunt u meer lezen over de geschiedenis van Prinsjesdag vanaf 1814. Daarbij komen vragen aan de orde als: vond Prinsjesdag altijd op de derde dinsdag van september plaats en was de Koning(in) ook wel eens verhinderd?

In 2004 waren er twee historische bijzonderheden: 100 jaar geleden werd de troonrede voor het eerst in de Ridderzaal voorgelezen en het was de vijfentwintigste keer dat Koningin Beatrix de Troonrede voor las. Afwezigheid van een premier vanwege ziekte was bovendien nooit eerder voorgekomen. In 2013 heeft Koning Willem-Alexander voor het eerst de Troonrede voorgelezen.



Wat is Prinsjesdag?

Prinsjesdag is de dag waarop de Koning(in) naar het parlement komt om de Troonrede voor te lezen. Dat gebeurde voor het eerst op 2 mei 1814. De Troonrede werd aanvankelijk uitgesproken ter gelegenheid van de opening van de zitting (vergaderperiode) van de Staten-Generaal. Gewone zittingen begonnen in het najaar en daarnaast kende men buitengewone zitting, die - bijvoorbeeld na verkiezingen - op een ander tijdstip begonnen. Na de Grondwetsherziening van 1983 begint op Prinsjesdag (de derde dinsdag in september) het nieuwe parlementaire jaar.

In de Troonrede wordt uiteengezet hoe het land ervoor staat en welke plannen de regering heeft. Op Prinsjesdag wordt ook de begroting voor het komende jaar ingediend.

In de jaren 1814-1848 kenden we nog geen (volledige) parlementaire democratie, maar bepaalde de vorst grotendeels het beleid. Toch gingen al vanaf omstreeks 1825 ook de ministers zich met de inhoud van de rede bemoeien. Later werd de Troonrede besproken in de Kroonraad, waarvan de Koning(in) voorzitter van was en waarvan ook de kroonprins en de ministers deel vanuit maakten.

Nadat Nederland in 1848 een parlementaire democratie was geworden, bepaalden de ministers grotendeels de inhoud van de Troonrede. In de negentiende eeuw hadden troonredes een beperkt karakter. Er werd bijvoorbeeld ieder jaar iets meegedeeld over de betrekkingen met andere landen en over de toestand van leger en vloot. Pas na 1918 kreeg de Troonrede langzamerhand haar huidige karakter: de presentatie van het regeerprogramma voor het komende jaar. De Troonredes zijn dan ook steeds langer geworden.


Waar en op welke dag?

Foto van de Treveszaal

In 1814 en 1815 werd de Troonrede in de Trèveszaal aan het Binnenhof voorgelezen. In de periode 1815-1830, toen Nederland was verenigd met België en Luxemburg, vond voorlezing door de Koning afwisselend in Brussel en Den Haag plaats. De Staten-Generaal bestaan sinds 1815 uit twee Kamers en voorlezing van de Troonrede gebeurt in een Verenigde Vergadering van beide Kamers.

Vanaf 1815 werd de Troonrede voorgelezen in de Oude Balzaal aan het Binnenhof, waar de Tweede Kamer vergaderde. In die zaal stond daarom een troon. In Brussel kwam men aanvankelijk bijeen in de Gotische zaal van het stadhuis. Vanaf 1818 werd het parlementsgebouw aan het Warande Park de plaats van handeling.

Foto van de Oude Balzaal

Na de afscheiding van België in 1830 vond de opening van het zittingsjaar uiteraard alleen nog in Den Haag plaats. Dat gebeurde nog altijd in de vergaderzaal van de Tweede Kamer. Pas in 1904 werd de Ridderzaal, die de jaren daarvoor was gerestaureerd, voor dat doel in gebruik genomen.

De opening van de gewone zitting van de Staten-Generaal was in 1814 op de derde maandag in november en tussen 1815 en 1848 op de derde maandag in oktober. Vanaf 1849 vond de opening plaats op de derde maandag van september. In 1888 werd dat de derde dinsdag van september.

Derde Dinsdag

De Grondwet legt in artikel 65 de derde dinsdag in september vast als de dag waarop 'door of namens de Koning in een Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal' een uiteenzetting wordt gegeven van 'het door de regering te voeren beleid'. Prinsjesdag viel oorspronkelijk op een datum later in het jaar: de eerste maandag in november. Omdat die datum het parlement weinig ruimte liet om de begroting - die op Prinsjesdag wordt ingediend - tijdig af te handelen werd het tijdstip vervroegd naar de derde maandag in september. Maar ook daar waren bezwaren tegen. Om op tijd in Den Haag te zijn, moesten veel Kamerleden op zondag reizen. Om dat te vermijden heeft men in 1887 de maandag vervangen door de dinsdag. Zo kon iedereen op tijd in de residentie zijn zonder de zondagsrust te ontheiligen.


De rol van de vorst(in)

Foto Staten-Generaal Brussel

De Troonrede wordt als regel door de regerende vorst uitgesproken. Tussen 1814 en 1840 door Koning (tot 1815 soeverein vorst) Willem I, daarna tot en met 1848 door Willem II en vervolgens door Willem III. Hij deed dat in 1887 voor het laatst, want in 1888, 1889 en 1890 was Willem III vanwege ziekte verhinderd. In de jaren 1891-1897 sprak Koningin Emma als regentes de Troonrede uit. Na Emma volgden de Koninginnen Wilhelmina (1898-1946), Juliana (1948-1979) en Beatrix (1980-2013). Vanaf 2013 spreekt Koning Willem-Alexander de Troonrede uit.

Het is, naast de genoemde jaren 1888-1890, nog enkele malen voorgekomen dat de vorst of vorstin verhinderd was de Troonrede uit te spreken. Dat was het geval in 1819 toen de zuster van de Koning was overleden en in 1837 na het overlijden van zijn echtgenote, in 1881 na het overlijden van Prins Frederik, de oom van Koning Willem III, en in 1884 na overlijden van diens zoon, Prins Alexander.

Koningin Wilhelmina was in 1908 en 1909 afwezig vanwege resp. zwangerschap en de geboorte van prinses Juliana. In 1911 liet zij verstek gaan uit ergenis over het zwakke optreden van Tweede-Kamervoorzitter Van Bylandt. Zij wenste dat hij zich zou terugtrekken, hetgeen hij niet deed. In 1947 zag de koningin op het laatste moment vanwege ziekte af van voorlezing van de Troonrede.

Bij verhindering van het staatshoofd wordt de rede uitgesproken door een lid van een Commissie namens het staatshoofd. In vroeger tijden bestond die commissie meestal uit een minister en enkele leden van de Raad van State. Na 1848 traden steeds één of meer ministers als zodanig op. Vaak las de Minister van Binnenlandse Zaken dan de rede voor. In 1947 sprak minister-president Beel de rede namens de Koningin uit.


Welke leden van het Koninklijk Huis zijn aanwezig?

Het is gebruik dat de Koning(in) zich bij de gang naar het Binnenhof laat vergezelen door familieleden. Gedurende de regeerperiode van Koningin Beatrix zat Prins Claus meermaals naast zijn echtgenote op het troonpodium. Ten tijde van de regering van Koningin Wilhelmina en Koningin Juliana gold hetzelfde voor Prins Hendrik (1901-1933) respectievelijk Prins Bernhard (1948-1979).

De echtgenotes van Koning Willem I, II en III waren daarentegen niet aanwezig bij de voorlezing van de Troonrede. Dat hing samen met de positie van de vrouw in de negentiende eeuw. In Groot-Brittannië werd de Koning (na 1901) overigens wel begeleid door zijn echtgenote.

De koningen Willem I en II werden steeds vergezeld door de kroonprins en soms ook door andere zoons; en Willem II ook door diens broer Prins Frederik. Bijzonderheid daarbij was, dat zij allen steeds zich te paard naar het Binnenhof begaven.

De oudste zoon van Koning Willem III, kroonprins Willem, was vanaf 1858 aanwezig op Prinsjesdag (hij overleed in 1879). De tweede zoon van Willem III, Alexander, was alleen in 1874 en 1876 bij de openingsplechtigheid. Ook nadat hij door het overlijden van zijn broer kroonprins was geworden, verscheen hij niet (Alexander overleed in 1884).

Zowel Prinses Juliana, Prinses Beatrix, als Prins Willem-Alexander woonden vanaf het moment van hun meerderjarigheid (resp. in 1927, 1956 en 1985) de plechtigheid bij. Koningin Wilhelmina vergezelde al in 1897 als 17-jarige (en dus minderjarige) haar moeder. Na beëindiging van haar regentschap in 1898 ging Koningin-moeder Emma nog jarenlang mee met haar dochter.

In de jaren zestig behoorden de prinsessen Irene en Christina enige tijd tot het gevolg van de Koningin. Prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven (sinds 1967) zijn steeds aanwezig in de Ridderzaal, evenals (meestal) één of beide andere zonen van de koningin. Tot de jaren zestig zaten alle aanwezige leden van het Koninklijk Huis op het troonpodium. Later zaten daar alleen Koningin Beatrix en Prins Claus; de andere leden zaten en zitten in de zaal. In 2013 werd de Troonrede voor het eerst voorgelezen door Koning Willem-Alexander. Hij werd daarbij vergezeld door Koningin Máxima, Prins Constantijn en Prinses Laurentien.


Het voorlezen van de Troonrede

In 1904 werd voor de Troonrede voor het eerst in de Ridderzaal voorgelezen. Die was in de jaren daarvoor onder leiding van Jhr. Victor de Stuers gerestaureerd. Daarvoor vond het voorlezen plaats in de voormalige balzaal van het stadhouderlijke hof, de zaal waar in de periode 1815-1992 de Tweede Kamer vergaderde. Overigens gebeurde dat tot 1830 om het jaar, omdat toen ook in Brussel werd vergaderd). In 1814 las de koning de Troonrede voor in de Trêveszaal.

Het was in 2004 niet de 101e keer dat de de Troonrede in de Ridderzaal wordt voorgelezen. In 1907, toen in de Ridderzaal een grote internationale conferentie werd gehouden, en in 1911, toen de Koningin was verhinderd, werd de Troonrede niet in de Ridderzaal voorgelezen. Tijdens de Duitse bezetting, van 1940-1945, konden de Staten-Generaal niet vergaderen en verbleef Koningin Wilhelmina in Londen.


Persoonlijke noten en thema's

De Troonrede bevat hoofdzakelijk beleidsvoornemens en bespiegelingen over de toestand van het land. Een enkele keer maakte de Koning(in) van de gelegenheid gebruik om meer persoonlijk getinte opmerkingen te maken. Dat was bijvoorbeeld vaak het geval bij droevige of feestelijke gebeurtenissen in de koninklijke familie, die kort tevoren hadden plaatsgevonden.

In 1902 en 1987 bedankten respectievelijk Koningin Wilhelmina en Koningin Beatrix voor wensen die zij tijdens ziekte hadden ontvangen. Ook aan nationale gebeurtenissen, zoals de windhoosramp in Borculo van 1925 en de watersnoodramp van 1953, werden in de Troonrede enkele woorden gewijd.

Recentelijk werden nogal eens historische gebeurtenissen als een soort thema voor de Troonrede gebruikt. In 1997 verwees Koningin Beatrix bijvoorbeeld naar de herdenking in 1998 van de Vrede van Munster van 1648 en in 1986 naar de herdenking van de 450e sterfdag van Erasmus. In 1993 memoreerde Koningin Beatrix de aandacht voor kwetsbare groepen die de dat jaar overleden Belgische Koning Boudewijn steeds had getoond.


Andere bijzonderheden

'Leve de Koning(in)'. Die uitroep klinkt na het uitspreken van de Troonrede. De eerste keer gebeurde dat in 1897 en, anders dan nu het geval is, was het niet de Voorzitter, maar het oudste lid in kamerjaren, die deze huldeblijk aanhief. Jarenlang was dat oudste lid generaal Duymaer van Twist. Pas sinds 1946 is het de Voorzitter van de Verenigde Vergadering die de toejuiching (die wordt gevolgd door het driewerf 'hoera') inleidt.

In 1932 werd de toejuiching gevolgd door ordeverstoring van communistische Kamerleden. Daarop hieven de andere aanwezigen het 'Wilhelmus' aan. In 1934 werden de communistische leden, nadat zij zich hadden misdragen, overigens in opdracht van de voorzitter door de politie uit de zaal verwijderd.

In 1991 betrok de toenmalige Voorzitter de wegens ziekte afwezige Prins Claus in de huldeblijk. Eerder al, in 1901, was ook Prins Hendrik die eer te beurt gevallen, toen hij voor het eerst aanwezig was bij de openingsplechtigheid.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de openingsplechtigheid een bescheiden karakter, omdat paarden uit de koninklijke stallen waren afgestaan aan het gemobiliseerde leger. De Koningin kwam in die jaren in een gewone koets naar de Ridderzaal. Pas in 1930 werd de oude, uitbundige, pracht en praal hersteld, en verscheen ook de Gouden Koets weer.

Ceremonieel vertoon bleef achterwege in (november) 1945, 1946 en 1947 omdat de Koningin dat in de eerste na-oorlogse jaren niet gepast vond. In 1974 was er een sobere Prinsjesdag, omdat zich in de Franse ambassade, die zich in het centrum van Den Haag bevindt, een gijzeling voordeed.

Sinds 1984 wordt de binnenkomst van het staatshoofd met diens gevolg muzikaal begeleid. Na afloop van de Troonrede wordt eveneens muziek ten gehore gebracht.